| Land van oorsprong
|
China
|
| Land van
patronage
|
Groot-Brittanië
|
| Publicatiedatum
|
actuele standaard 24-06-1987
|
| Gebruik
|
Waakhond, gezelschapshond
|
| FCI
indeling
|
Groep
5 Spitsen en oertypen Sectie 5
Aziatische spitsen en verwante typen
|
| Algemene
verschijning
|
Actief,
compact, met korte lendenen en in alle onderdelen
volkomen harmonieus, leeuwachtig voorkomen, trots met
waardige houding. Vast stabiel lichaam. Staart goed over
de rug gedragen.
|
| Gedrag en
karakter
|
Rustig, goede waakhond,
blauwzwarte tong, uniek in z’n steltachtige gang. Onafhankelijk, trouw,
maar afstandelijk.
|
| Hoofd -
Schedel
|
Schedel vlak en breed , goed
opgevuld onder de ogen.
Stop niet uitgesproken (matig).
|
| Hoofd -
Aangezicht
|
|
| Neus
|
Groot
en breed en in alle gevallen zwart (behalve in crème
en bijna witte Chows bij wie een lichtgekleurde neus
acceptabel is, en een identiek gekleurde in de blauwe en
fawns).
|
| Snuit
|
Matig
van lengte, breed vanaf de ogen tot het einde (niet
spits toelopend als bij de vos).
|
| Lippen
|
Lippen
en verhemelte zwart (blauwzwart), tandvlees bij
voorkeur zwart, tong blauwachtig zwart.
|
| Kaken/gebit
|
Tanden
sterk en op een lijn, kaken sterk met een perfect,
regelmatig en compleet schaargebit, dat wil zeggen dat de
boventanden net over de ondertanden sluiten en recht in de
kaak staan.
|
| Ogen
|
Donker,
ovaal, middelmatig van formaat, en schoon. Een
oog in een harmoniërende kleur is toegestaan bij de blauwe
en de fawns. Een schoon oog, vrij van entropion, mag
nooit alleen vanwege het formaat worden achtergesteld.
|
| Oren
|
Klein,
dik, aan de bovenkant iets afgerond, stijf gedragen
en wijd uiteen, maar wel schuin boven het oog staand en
iets naar elkaar toewijzend, resulterend in de fronsende
uitdrukking die zo kenmerkend is voor het ras. De frons
(scowl) mag nooit bereikt worden door losse gerimpelde
hoofdhuid.
|
| Hals
|
Sterk,
vol, niet kort, goed op de schouders geplaatst en
licht gebogen.
|
| Lichaam
|
|
| Rug
|
Kort,
recht en sterk.
|
| Lendenen
|
Krachtig.
|
| Borstkas
|
Breed
en diep, goed gewelfde ribben, maar niet tonvormig.
|
| Staart
|
Hoog
aangezet en goed over de rug gedragen.
|
| Ledematen
|
|
| Voorhand
|
Voorbenen
volkomen recht, middelmatig van lengte, met
goed bot.
|
| Schouders
|
Gespierd
en schuin aflopend.
|
| Achterhand
|
Achterbenen
gespierd.
|
| Hakgewricht
|
Vrij
laag aangezet, met minimale hoeking, van wezenlijk
belang voor de karakteristieke steltachtige gang. Mag nooit
naar voren buigen.
|
| Hak
|
Toont
vanaf het hakgewricht naar beneden volkomen
recht.
|
| Voeten
|
Klein,
rond en katachtig, goed op de tenen staand.
|
| Gangwerk
|
Pas
kort en steltachtig, Voorbenen en achterbenen
bewegen evenwijdig aan elkaar en recht naar voren.
|
| Vacht
|
|
| Vachtlengte
|
Langharig
of kortharig.
Langharig: Overvloedig
en rijkbehaard, dicht, recht en
uitstaand. Bovenvacht nogal grof van structuur, met een
zachte, wollige ondervacht. Speciaal dicht om de hals in de
vorm van manen of kraag, en aan de achterkant van de
dijbenen een rijke bevedering of broek.
Kortharig:
Vacht kort,
vol, dicht, recht, overeind staand,
niet vlakliggend, structuur als van pluche.
Iedere
kunstmatige
inkorting van de vacht, die de
natuurlijke belijning of uitdrukking verandert, moet worden
bestraft.
|
| Kleur
|
Eenkleurig
zwart, rood, blauw, fawn, crème of wit. Vaak
geschakeerd maar niet gevlekt of bont (eind van de staart
en de achterkant van de dijbenen vaak lichter van kleur).
|
| Grootte
|
Schofthoogte
reuen 48-56 centimeter (19-22 inches), teven
46-51 centimeter (18-20 inches).
|
| Fouten
|
Elke
afwijking van het voorgaande moet als fout worden
beschouwd. De mate waarin de fout moet worden
aangerekend moet in overeenstemming zijn met de ernst
ervan en de gevolgen ervan voor gezondheid en welzijn
van de hond.
|
| NB
|
Reuen
moeten twee duidelijk waarneembare normale
testikels hebben die volledig in het scrotum moet ijn
afgedaald.
|
|
|
|